
Een Abanees echtpaar aan de wandel in de omgeving van Bellovë. Foto: Stella van Zanten©
Avontuur tijdens een reis kun je zelf opzoeken, zo bleek maar weer. Als je in Albanië op plekken wilt komen waar geen toerist te zien is,
dan moet je er wat voor over hebben.
Als we onder een blauwe hemel Lin verlaten, rijden we aanvankelijk de grote weg, de SH3. We tuffen dicht langs de oostgrens met
Noord-Macedonië naar het noorden, naar Peshkopi om precies te zijn. Een grotere plaats op de rechterflank met bijna 15.000 inwoners.
We verlaten de SH3 (die gaat naar Tirana) en draaien een andere asfaltweg op. Dat gaat best een tijd goed. Maar ineens is het asfalt verdwenen en
rijden we op een 'gravel road'. In het begin zien we groot materieel op de weg. Hier wordt duidelijk gewerkt aan een mooi, zwart laagje wat even
later weer verschijnt. Opluchting bij ons allebei, want keren en helemaal over Tirana naar Peshkopi is een mijl op zeven.
Helaas is de vreugde van korte duur: het asfalt houdt op. Understatement. Zestien kilometer lang kruipen we over een rotsachtige weg vol met stenen
en kuilen en gaten door eenzaam landschap. Er zijn begroeide lage bergen en verder niets. Geen enkele bebouwing, geen enkel teken van leven. We gaan
niet harder dan 5km per uur. Het toerisme is hier ver weg. We zijn doodsbang voor een lekke band, maar dat blijft gelukkig uit. We zien één keer
een tegenligger: een man op een ezel. Hij knikt vriendelijk. Uiteindelijk bereiken we de 'bewoonde wereld'.




Bellovë en Rabdisht
Vlak buiten Peshkopi bezoeken we in de namiddag twee afgelegen dorpen, Bellovë en Rabdisht. De weg naar Rabdisht is waarschijnlijk vlak
voor onze komst geasfalteerd en de weg naar Bellovë ook niet zo lang daarvoor. Beide dorpen zijn schitterend gelegen in de bergen.
Vanuit Peshkopi rijden we enkele kilometers door verlaten gebied, we zijn omringd door (kale) bergen en verder is er niets. Bellovë is
alleen te voet bereikbaar, dus zetten we de camper maar ergens neer, waar wij denken dat het dorp zo ongeveer moet beginnen. Over 'gravel
roads' gesproken, hier liggen er een paar. Tjonge. Evengoed rijdt een oude Mercedes (uiteraard!) met fikse snelheid over de 'weg'. Tja, je moet
wel als je hier woont, niet iedereen kan zich een 4x4 veroorloven, en zeker niet hier. We lopen langs grasland met houten schuurtjes, moestuinen
en veel groen. En dan zijn we er. Bellovë bestaat uit stenen huizen, in Albanese stijl. Een groot deel van de woningen is verlaten. In
het dorp straalt de armoede ons tegemoet. Geen winkel, geen dorpshuis, geen benzinepomp. Niets. Veel wrakkige woningen. Een beginnend tienermeisje
loopt, terwijl ze op haar mobiel kijkt, met een blauwe gevulde plastic tas. Ze gooit de tas op een berg afval, gewoon in de berm. Geen afvalcontainers,
geen bakken. Het is trouwens niet het eerste afval dat daar wordt neergegooid. De berg is zeker enkele meters groot.
Bellovë voelt beklemmend en verpauperd. Maar misschien is dat een westerse blik. En biedt de gemeenschapszin een deel van de levenslust. Op de
terugweg komen we vier kleine meisjes en een nog kleiner jongetje tegen. De meisjes zwaaien vrolijk en blijven staan. Ze zeggen hun naam. En wij
die van ons, maar daar stokt de conversatie.
Tekst loopt door onder de foto's.








In het net zo geïsoleerd liggende Rabdisht oogt alles iets welvarender. Alsof de zon hier meer schijnt voor de inwoners. Langs de kant van de
weg houdt een jongen het paard vast. Zijn vader pakt enorme, samengebonden bundels maïs en bindt ze aan het paard. Naast, of eigenlijk op, hun
land liggen overwoekerde graven. Misschien van familie? Het is evengoed een opmerkelijk gezicht, die maïs zo pal tegen de graven aan. Het paard
zwaait met zijn staart het stof van de grafstenen. Even later draven paard en jongen en maïs voorbij. Omhoog gaat het, het onberijdbare pad
naar de hoog gelegen woningen op. Een knikje naar de toeristen en weg is hij. Het hoefgekletter trilt in de lucht.




Kukës-Pukë-Shkoder
vorige pagina
naar boven
terug naar intro