Tallinn 1986

Tallinn 1986


centrum Tallinn tijdens de Russische bezetting

Negen jaar na mijn eerste bezoek aan het land van mijn moeder reis ik opnieuw af naar Estland, dan nog steeds één van de vijftien Sovjet-republieken. Dit is een bijzondere trip. Mijn moeder gaat met haar drie kinderen. Ze is trots. Ze wil pronken met haar nageslacht. Op een bepaalde manier aan die Russen tonen dat dit toch maar mooi uit haar is voortgekomen: drie halve Esten. Maar de ontmoeting met De Familie is natuurlijk het doel van de reis.
Haar zus, mijn tante, heeft in de tussenliggende jaren nog een drama meegemaakt. Nóg een, ja. Haar jongste zoon heeft zelfmoord gepleegd. Hij zag geen uitweg meer in een leven zonder perspektief. Hij is in de oude stad van één van de torens gesprongen. En elke keer dat wij deze drie dagen (ons visum is slechts zo kort geldig) langs een toren lopen, moet ik daar aan denken. Hoe kan ik ook niet? In sommige gezinnen lijkt het leed niet op te houden.

Slechts enkele weken voordat wij naar Estland vertrekken, gebeurt de kernramp in Tsjernobyl. Mijn moeder hangt eindeloos aan de telefoon met de Nederlandse overheid, voorlichters, enz. Niemand raadt haar af te gaan, maar evenmin kan iemand haar geruststellen. Tsjernobyl ligt in Oekraïne, in die tijd eveneens een Sovjet-republiek. Hemelsbreed ligt Tsjernobyl niet echt gek ver van Estland verwijderd en aangezien de wind richting Scandinavië stond ten tijde van het ongeluk, rijst de vraag of we niet in een radio-actieve wolk terecht komen. Na ampel beraad valt het besluit:
we gaan.
Tallinn Tallinn Tallinn Tallinn Tallinn Tallinn Tallinn Tallinn Tallinn

Eenmaal bij De Familie blijkt dat de Russische overheid zich - zoals gewoonlijk in dit soort ernstige situaties - weer eens van de domme houdt. Nee, er is niets bekend. Pas na een aantal dagen verschijnt ergens op een binnenpagina van een grote krant een klein bericht over Tsjernobyl. De Oekraïners, de Letten, de Litouwers, de Esten, ze weten van niets. Ze hebben werkelijk geen idee van de rampspoed die mogelijk over hun hoofden is getrokken en daar wellicht nog altijd hangt. Dat is nu eenmaal onderdeel van het leven in de Sovjet-Unie. Het niet-weten. Het altijd voorgelogen worden. Mijn broer en ik winden zich daar enorm over op. Wij zouden daar niet kunnen wonen. Maar ja, mijn familie misschien ook niet. Maar ze moeten wel. Niemand vraagt of ze daar wel wíllen wonen. Het is eigenlijk ook niet relevant, want ze kúnnen er niet uit. Niemand mag weg uit het communistische Paradijs.
We vliegen naar Helsinki en gaan vandaar uit met de ferry naar Tallinn. Voordat we door de douane gaan, worden de enorme hoeveelheid koffers die we bij ons hebben, uitgepakt. Twee dikke, lange mantels glijden om de schouders van mijn moeder. En niet alleen bij haar. Her en der om ons heen zien we de routineuze handelingen van vluchtelingen die terugkeren naar hun vaderland. Dik aangekleed. Niet tegen de kou natuurlijk, maar om cadeau te geven aan De Familie. Want dit soort kleding is in Estland niet te krijgen, ook niet 'onder de toonbank'.
Mijn moeder heeft altijd het gevoel dat ze iets moet goedmaken ten opzichte van De Familie. Zij is na haar vlucht in 1944 immers een veel beter leven gaan leiden dan zij. Een leven in een welvarend en democratisch land. Ze doet wat ze kan.
Ik kijk mijn ogen uit bij deze verkleedpartij. Als een douanier mijn moeder in het Russisch aanspreekt op haar dikke aankleding - het is de maand mei - bitst ze hem in het Ests toe dat ze het koud heeft. Dat het háár jassen zijn. En dat zíj die draagt als zíj dat wil. Zo. Wij - de kinderen - zweten intussen peentjes, want met de Russische douane valt niet te spotten. Mijn moeder draagt ons op de koffers op de band te leggen. Ter afleiding moeten we heel druk doen. Zelf duwt ze intussen met haar linkervoet een kleinere koffer over de grond langs de balie. Daar zitten Burda's in, een tijdschrift om zelf kleding te maken. Burda's mogen van de Russen niet worden ingevoerd. Vandaar. De douaniers bekijken de inhoud van de koffers. Alles gaat open. De Burda's zijn halverwege. Haastig tillen wij expres wat onhandig de koffers van de band, terwijl de Burda's de eindstreep geluidloos en ongezien passeren.
Net als in 1977 mogen we maar drie dagen blijven, mogen we Tallinn niet uit, en is het niet toegestaan bij De Familie te slapen. Dat doen we opnieuw in Viru hotel. Drie dagen lang praat en luistert mijn moeder naar alle verhalen. Vele uren lang vult ze met tolken. Tussen De Familie en ons. We zien alle hoogtepunten van Tallinn. Het is zwaar voor mijn moeder. Emotioneel en fysiek. Haar gezondheid is verslechterd en het valt niet mee voor haar.
Ondanks dat over Tallinn nog steeds de grauwsluier van het communisme hangt, lijkt er meer licht in de stad. Er is iets veranderd ten opzichte van de jaren zeventig, toen Estland diep en diep in Sovjettijd verkeerde. Alsof de Esten al weten dat de glasnost en perestrojka van Gorbatsjov hun intrede zullen doen en hun levens radicaal zullen veranderen.
Natuurlijk gaan we naar het graf van de man van mijn tante. Dat is confronterend voor mijn moeder, want zij wil maar naar één graf en dat ligt in Rakvere. Daar waar haar broer en ouders liggen. Voor de zoveelste keer houdt ze een smeekbede bij de autoriteiten om één keer naar haar geboorteplaats te mogen. Naar daar waar haar jeugd heeft gelegen. Maar opnieuw is het antwoord: "njet." Ze snapt niet waarom niet. Niemand. Het is ten hemelschreiend hoe ze daar staat. Verslagen. Vernederd. Het is onmenselijk. Wij en De Familie dringen erop aan dat ze een taxi neemt, want ergens weten we allemaal dat dit haar laatste bezoek aan Estland zal zijn. Het is dus nu of nooit. Het wordt nooit, want ze durft het niet. Ze is bang dat ze betrapt wordt - ze ziet er te Westers uit en spreekt de taal inmiddels met een accent - , met repressailles tot gevolg; dat haar kinderen iets wordt aangedaan. Of de familie. En dat zou de tweede keer zijn. Na de Tweede Wereldoorlog, toen Estland onderdeel was geworden van de Sovjet-Unie, is mijn tante gestraft voor de vlucht van mijn moeder. Zij was rechter, maar werd zonder opgaaf van redenen uit haar ambt gezet. Mijn moeder wil iets dergelijks geen tweede keer op haar geweten hebben. Maar hoe graag was ik met haar meegegaan, in die taxi. Ik brand van verlangen om - samen met haar - haar afkomst te zien. Maar het zal nooit gebeuren.
We huilen. Soms is tragiek niet in woorden te vatten.

Tallinn heeft één speciale winkel. En omdat wij uit het buitenland komen, mogen we allemaal naar binnen, ja ook De Familie. Deze winkel verkoopt elektronische apparaten die voor ons heel gewoon zijn, maar voor de Esten niet te verkrijgen, zoals cassetterecorders, radio's. Ach ja, ze zijn er wel, maar dan van Russische makelij. Laten we zeggen dat deze apparaten het niet altijd even goed doen. De tweeling van mijn tante (volwassen mannen van ver in de veertig), loopt als een kind in een grote snoeppot door de winkel. Schrijnend om te zien dat zulke vanzelfsprekendheden in mijn leven voor hen onbereikbaar zijn. Ze verkopen ook Amerikaanse jeans en goede schoenen en nog veel meer. Met vele gevulde tassen verlaten we de winkel. De tweeling heeft lang gespaard.
De oudste van de twee is sowieso erg bezig met bezit, met eigen dingen. Opvallend in dit land, waar de Staat privé-bezit als 'not done' heeft bestempeld. Nadat hij negen jaar geleden al een auto kocht, heeft mijn neef nu zelf een huis gebouwd. Onvoorstelbaar. Het is nog niet af, maar desondanks gaan we natuurlijk kijken. Steen voor steen heeft hij zelf gemetseld, geholpen door zijn zoon. Een ongelooflijke verworvenheid. Hij straalt dan ook als een pauw. Het huis is groter dan ons huis in Nederland!

schilderij Ottomar Mänd

De familie van mijn moeders kant, en haar moeders kant, enz. heeft al tijden een ivoren waaier in bezit, afkomstig van het Russische tsaarhof. Mijn moeder wil deze illegaal meenemen naar Nederland. De waaier mag niet worden uitgevoerd, dit voorwerp valt onder kunst en dat moet in de Sovjet-Unie blijven. Mijn broer gaat als eerste door de douane. Wij moeten wachten achter een hek met spijlen. Terwijl hij naar ons kijkt, roepen we: "De waaier zit in jouw koffer, he." We zien hem wit wegtrekken. Huh? Nee toch. Als zijn koffer wordt opengemaakt en hij in paniek naar ons blijft kijken, roepen we: "Geintje." En dat terwijl hij zich toch al aan heuse smokkel schuldig maakt. In de schacht van zijn leren laars zit namelijk opgerold een olieverfschilderij van de broer van mijn moeder. Hij was een zeer getalenteerd schilder. Het betreft een pijnboom langs de kust aan de Finse Golf, waar het gezin van mijn moeder vroeger de vakantie doorbracht. Het heeft jarenlang de woonkamer van mijn grootouders gesierd en nu gaat het naar Nederland. Door het opzettelijke geintje van ons, is de aandacht van mijn broer voor het schilderij totaal verdwenen. Hij was zó zenuwachtig. Zijn koffer gaat dicht, hij krijgt een knikje en mag doorlopen.
Zo doe je dat.
Tot ver na mijn moeders dood heeft het schilderij in de woonkamer van mijn ouderlijk huis gehangen.

Overnachtingen:
Hotel Viru in Tallinn (met restaurant)

vlag estland Hiernaast (of hieronder voor mobiel) staan onze andere reizen door het noordelijkste land van de Baltische Staten, net als de reizen naar Tallinn in Sovjet-tijd.


Kijk op Documänd van een familie en u ziet het (digitale) boek dat ik heb gemaakt over de jeugdjaren en de vlucht voor de Russen van mijn moeder. Het hele boek is te zien door de pagina's om te slaan. De achternaam van mijn moeder is Mänd, spreek uit als Ment.


naar boven

terug naar Auto


Naschrift:
Na de onafhankelijkheid van Estland in 1991 troffen Estse autoriteiten helemaal bovenin Viru hotel een geheime verdieping aan. Deze zat vol met afluisterapparatuur. Na onderzoek bleek dat alle toeristen met een vlekje, zoals vluchtelingen en hun kinderen, op daartoe aangewezen verdiepingen sliepen. De aan hun toegewezen kamers waren volgestopt met afluisterapparatuur net zoals de tafels in de eetzaal, waaraan zij dienden te eten. Ik kan me nog goed herinneren dat wij aan een bepaalde tafel wilden gaan zitten, maar de serveerster ons met zachte dwang naar een andere tafel dirigeerde. Dáár moesten we zitten. Waarom? Daarom. De apparatuur zat onder de borden of onder de tafel. Elk gesprek dat wij in Viru hotel voerden, werd afgeluisterd, zowel in 1977 als in 1986. Op de bovenste geheime verdieping werkten tolken die alles meeluisterden. Op straat had ik meermaals het gevoel dat we werden gevolgd, maar elke keer dacht ik dat ik het me wel zou verbeelden. Ook herinner ik me goed dat aan het einde van de lange gang op de verdieping in Viru hotel een vrouw zat. Voor haar op de tafel lag slechts een schrift met een pen. Telkens als wij naar of van onze kamer wilden, zat zij daar. Haar aanwezigheid gaf mij een onaangenaam gevoel, alsof we werden bekeken, begluurd, alsof alles wat we deden werd vastgelegd. Na 1991 bleek dat de chauffeur van een bestelde taxi geen chauffeur was, maar een geheim agent, die rapporteerde aan zijn meerderen.
In het Viru hotel is heden ten dage een KGB-tour te boeken die onder leiding van een gids uitleg geeft over de praktijken in Viru tijdens de Sovjetbezetting.