
Fort Castillo del Morro in de avondschemering. Foto: Stella van ZantenĀ©
Granma en het fort
Eerlijk gezegd kan Santiago de Cuba ons niet erg bekoren. We zijn rond 8 uur 's ochtends met een taxi gekomen vanuit ons hotel San Juan, dat
vier kilometer buiten de stad ligt. We betalen 8 cuc aan de chauffeur. Enkele uren lopen we rond in het centrum. Aanvankelijk lopen we in
enkele straten waar het strijklicht de omgeving een speciaal effect geeft. Maar eenmaal in het harde daglicht beland, zijn we snel uitgekeken
op de stad in het zuidoosten.
We besluiten eens iets anders te doen en bezoeken op eigen initiatief en apart van de groep - dus ook zonder reisleiding - het eilandje Cayo Granma.
Dit eiland heeft geen tropische stranden of aantrekkelijke palmbomen, maar huisvest een vissersgemeenschap. Het is het kleinste eilandje waar ik ooit
ben geweest. Het is een flink stuk van de stad gelegen. We gaan eerst met een jeep-taxi naar de haven, een klein half uurtje rijden.
Bij Punta Gorda nemen we de catamaran, zo'n tien minuten varen. De catamaran vaart slechts 1 x in het uur of anderhalf uur. Maar
we hebben geluk, vrijwel direct na onze aankomst kunnen we aan boord. Voor 1 cuc per persoon worden we overgezet. Het restaurant bij de
aanmeerplaats zit al vol met toeristen. Wij lopen naar de andere kant van Granma en eten verrukkelijke vis bij El Marino, één van de twee
restaurants op Granma. We kijken uit op houten vissersbootjes, die aanmeren met een verse lading aan boord. Enkele daarvan belanden even later op ons bord.
Er heerst een ongekende rust op Granma. Het is een oase vergeleken bij het vasteland. Desondanks menen de eigenaren dat onze maaltijd dient te worden begeleid
door een muzikaal trio, waarvan de zanger nét iets te hard zijn stemgeluid over onze tafel schalt. Ach, we zitten lekker en op het hoger
gelegen terras waait een verkoelend briesje door onze haren.




Na het eten besluiten we nog een rondje eiland te doen voordat we teruggaan met de catamaran. In een half uurtje zijn we rondgelopen. Overal staan
leuke, houten huizen, sommige op palen. De witgekalkte kerk Iglesia de San Rafael is het hoogste punt van het eiland. Halverwege onze wandeling
hebben we vol zicht op het fort Castillo del Morro. Daar gaan we straks naartoe.
Bewoners hangen op hun veranda of op een bankje langs de uitgestorven straat. De luiken van de huizen zijn gesloten. Er lijkt helemaal niets te doen.
En dat is er misschien ook niet.



Als we helemaal boven zijn op het fort Castillo del Morro hebben we een fraai zicht op de baai van Santiago. De kanonnen staan nog keurig in een rij,
voor de openingen. Wie weet of ze het nog doen. Het fort is gebouwd op meerdere terrassen en beschikt over een citadel en enkele bolwerken (een uitbouw
in een verdedigingsmuur). Het is een vesting geweest, met soldaten, een gevangenis en weer een vesting. Na verwaarlozing werd het in de jaren zestig
gerestaureerd en het staat nu op de werelderfgoedlijst van Unesco. Bezoekers met goed getrainde beenspieren kunnen de 250 traptreden naar beneden en
- uiteraard - ook weer omhoog. Vanaf elke laag is er een ander uitzicht. Eenmaal beneden zijn we vlak boven de zee. Nét onder ons zitten drie
jongens op een uitstekende rotspunt. Af en toe worden ze geraakt door het opspattende water. Alledrie hebben ze een frele vislijn in het water hangen.
Met hun handen vieren ze de lijn. Het laatste daglicht zet de jongens in een gloed. Wat een aparte visplek en wat een vrijheid.
Als de zon onder gaat, kleurt de hemel en steken de bovenste torentjes contrasterend af tegen de lucht. De fier wapperende Cubaanse vlag wordt gestreken.
De avond valt over Cuba. De dag is voorbij. En onze reis ook. Dag Cuba.
naar boven
terug naar intro
terug naar Auto