skyline Tallinn

Tallinn 1977


Mijn moeder plant haar elleboog in mijn linkerzij. "Niet klappen", sist ze in mijn oor. Verbouwereerd houd ik mijn handen stil. Huh? Voordat ik kan vragen waarom niet, zegt ze: "Het is een Russische." Aah. Nu wordt alles duidelijk. Voor Russische zangeressen wordt niet geklapt. Beschaamd en bescheten kijk ik naar de grond.
We zijn een avondje uit, naar de concertzaal. Ik ben 17 jaar en met mijn moeder mee naar Tallinn, de hoofdstad van Estland. Het is niet zomaar een reis. Oh nee. We zijn op bezoek bij De Familie.
Zij is in 1944 als 19-jarig meisje gevlucht voor de binnenvallende Russen. Een bezetting die bijna vijftig jaar zou duren. En waardoor Estland onderdeel werd van de Sovjet-Unie.

Raadhuisplein Tallinn Mijn moeder heeft voor de Tweede Wereldoorlog in Rakvere gewoond, maar de familie is naar Tallinn getrokken. Dus er hoeft niets te worden georganiseerd met overkomende familieleden. Wij mogen onszelf namelijk níet buiten Tallinn begeven. Wij mogen níet langer dan drie dagen blijven, wij mogen níet bij De Familie slapen. De Russen hebben ons dan wel een visum verleend, maar verder lopen we aan de leiband. Zij bepalen de regels van het spel. En probeer ook maar niet iets op eigen houtje te doen. De straf is zwaar en onverbiddelijk: je wordt opgepakt, met een politie-escorte naar de haven gebracht, op de boot gezet en je krijgt nooit meer een visum.
Als we van de ferry komen, wacht De Familie ons op aan de haven. Het is ook alweer vijf jaar geleden dat ze mijn moeder voor de laatste keer hebben gezien. Ik ben zelfs helemaal nieuw. Mij kennen ze alleen van foto's.
Ik begroet iedereen, maar ik ken niemand.
Ze hebben bloemen bij zich. Voor ons.

We gaan eerst naar ons hotel, Viru, waar de toeristen moeten blijven. Omdat wij erbij zijn, mag De Familie ook naar binnen. Anders niet. Twee van mijn neven, de tweelingzoons van mijn tante, staan al te wachten. Buiten. Ik voel een drift opkomen over dit idiote gedoe. Waarom kunnen ze gvd niet al naar binnen?
Daarna gaan we lunchen bij de zus van mijn moeder. Mijn tante dus. Mijn bloedeigen tante. Mijn grootmoeder is vijf jaar eerder overleden. Mijn grootvader is al langer dood. Ik heb ze nooit gekend. Nooit ontmoet. Nooit gesproken.
En dan was er ook nog Ottomar, de broer van mijn moeder. Helaas is hij in 1941 door Russische kogels om het leven gekomen. Het verleden van mijn familie is nogal beladen. Zoals voor de meeste gezinnen in Estland. De oorlog heeft diepe wonden geslagen en laat nog steeds zijn sporen na. In ons geval is ook nog sprake van een gespleten familie. Mijn moeder is immers gevlucht en kon niet meer terug. Mijn grootouders hadden vier kinderen. Twee daarvan zijn (jong) overleden en de derde is gevlucht. Mijn tante bleef alleen over en had dus ook alle zorg.

Voor mijn moeder zijn deze korte herenigingen een ware aanslag op haar emoties. Ze wil het wel, maar ergens ook niet. Ze is een beetje vervreemd van haar zuster en de neven en nicht kent ze natuurlijk niet goed. Ook is Estland haar Estland niet meer. Alles is anders. Zij leefde immers in een vrij land. En haar moeder is overleden. Zij was toch de belangrijkste reden om te gaan. Pas in 1970 krijgt mijn moeder een visum. Grootmoeder leeft dan nog. Bijna 26 jaar hebben ze elkaar niet gezien.
Grootmoeder heeft al die jaren een gouden armband bewaard. Die was voor Elsa. Die ontmoeting moet mijn moeder meer hebben aangegrepen dan ik me heb gerealiseerd. Als tiener stond ik daar totaal niet bij stil. Pas nu, nu ik haar zelf al heel lang moet missen, ga ik er iets van begrijpen. Van hoe het geweest moet zijn, wat het betekent, wat een emotionele aardverschuiving met je doet. Hoe dat doordreunt.
Jaar na jaar.

Als we binnen komen in de kleine ruimte waar mijn tante woont, zie ik een grote, gedekte tafel. Van alles staat er op: eieren, tomaten, brood, koffie en thee en nog veel meer produkten die voor mij heel gewoon zijn, maar voor hun onbetaalbaar. Zoveel weet ik inmiddels wel. Maandenlang moeten ze hebben bespaard op noodzakelijke dingen om deze maaltijd voor ons op tafel te kunnen zetten. Mijn keel slaat dicht. En dat blijft zo de rest van het driedaagse bezoek.
Ik ben te jong en te westers om te beseffen wat er gaande is. Wat er speelt. Desondanks voel ik heel goed dat "zij" (De Familie) níet leven zoals "wij" (de westerlingen). Alles is anders. Alles voelt anders. Niet in het minst wordt dat veroorzaakt doordat gesprekken 'in het geheim' moeten plaatshebben. Buiten bereik van anderen. Buiten bereik van luistervinken. Buiten bereik van verraders. In de veilige omgeving van de auto worden de serieuze onderwerpen besproken. Ik versta natuurlijk niets, maar de sfeer verraadt veel. Het samenzweerderige; het naar elkaar toe buigen; het bijna-fluisteren. Ja, zelfs in de auto. Je weet nooit of iemand je hoort. Altijd op je hoede. Het is een tweede natuur geworden.

De auto van mijn neef is een opmerkelijk bezit. Als niet-partijlid is het zeer ongewoon een personenauto te hebben. Hij werkt dan ook altijd. Voor de baas en voor zichzelf. Die auto is zijn alles, zijn vrijheid. Als hij op de hoek van de straat sigaretten wil halen, gaat hij met de auto. Het is 150 meter, maar hij rijdt het stukje. Met zijn auto.

Overal in de stad staan immense beelden van De Grote Leiders, zoals Stalin en Brezjnev (leider van de communistische partij in de Sovjet-Unie). Ik moet een beetje lachen om dit protserige gedoe, ware het niet dat de standbeelden een wrange achtergrond hebben. Het volk van Estland moet dankbaar zijn dat het in 1944 is 'bevrijd' van de Duitsers. En zo gedenken de communisten hun 'heldendaden'. Dat de Esten er maar elke dag aan worden herinnerd.
Op een avond lopen we door het centrum van Tallinn. De straten zijn gemaakt van kinderkopjes. Het is donker in de stad; er is nauwelijks straatverlichting en over het prachtige, oude centrum hangt een grauwsluier. Van rafelranden, van armoede, van verval, van een leven in de schaduw. De etalages zijn leeg. Hier zien we de sfeer van een bezet land, van het communisme. Het voelt niet goed. Het kan heel anders. Hoe kunnen we ooit uitleggen dat het bij ons heel anders ís. Dat bij ons de zon schijnt.

In het Kadriorgmuseum (buitenlandse kunst) zit een vrouw op een stoel. Aan onze kleding ziet ze dat wij niet van hier zijn. Waar we vandaan komen. Ze klapt in haar handen en slaat haar ogen ten hemel. "Ahh, Nederland. Het land van goud." Haar uitspraak raakt me. Ik schiet vol. Mijn emoties zitten toch wat hoog deze dagen.
Ja, we leven anders. Zij en ik. De Familie en ik.
Het is één grote confrontatie.

Na drie dagen moeten we naar huis. De Familie brengt ons naar de haven. Dan komt het moment van afscheid. Mijn moeder en haar zus grijpen elkaar vast. Het is maar voor even, maar in die omhelzing ligt alles besloten. Hun gezamenlijke jeugd, hun gezamenlijke leven. Dat wat ooit was. En voorgoed voorbij is. Mijn tante moet hier blijven, wij lopen naar de vrijheid. Mijn familie zwaait vanachter de hekken met gaas.
In het havengebouw moeten we door de douane. Op de heenweg heeft mijn moeder een bonnetje gekregen dat ze moest bewaren. Als je het land verlaat, moet je dat laten zien. Maar het bonnetje is kwijt. Het ligt vermoedelijk in de prullenbak van hotel Viru. De douaneman blijft stoïcijns voor zich uitkijken. Ook als mijn moeder tegen hem blijft praten - in het Ests - vertoont hij geen enkele reactie. Zij weet dat hij haar verstaat. Hij is immers (ook) een Est. Hij moet alleen Russisch spreken, want dat is de officiële taal (geworden). Hij weigert haar tegemoet te komen, waarop mijn moeder haar handtas leeg gooit op de tafel en tegen hem snauwt: "Zoek dan zelf!" Gedurfd, maar het werkt. Hij zegt enkele woorden tegen haar in hun eigen taal en laat ons passeren.

Al die tijd heb ik angstig én vol bewondering toegekeken. Ik zie iets van de ongebroken Estse wilskracht, de mentaliteit. En ik bewonder haar weigering de Russische taal te spreken, ondanks dat ze die van kinds af aan beheerst. Na haar vlucht heeft ze gezworen nooit meer een Russisch woord over haar lippen te laten komen.
Ik zie haar zoals ik haar niet ken, in haar 'thuis'.

Voordat we de boot oplopen, kijk ik nog één keer om.
Ze staan er nog.
Mijn hart huilt.


naar boven

Tallinn 1986

terug